‘Hé Karin, ga je mee schaatsen op het Zuidlaardermeer!’ deze woorden brachten me afgelopen zondagochtend in een euforische stemming. Ik ben groot fan van Zuidlaren en alle dorpjes die er rondom liggen. Het lijkt wel alsof de tijd geen vat heeft op deze contreien. De pittoreske huizen en kerkjes doen je bijna geloven dat god hier zondags zelf de mis opdient.

Het Zuidlaardermeer dus. Het is koud, dus ik kleed me warm aan. Ik trek aan: een maillot, warme broek, een thermohemd, 2 truien, winddichte jas, shawl, muts en paar met schapenvacht gevoerde handschoenen. Mijn schaatsen heb ik gister geslepen. Ze zijn vlijmscherp.

Tot slot een paar winddichte hoezen voor om mijn enkels en voeten en ik ben klaar voor de start. Daar gaan we. Op blinkende ijzers door een prachtig wit landschap de horizon tegemoet. De wind is guur en mijn gezicht bevriest. Later krijg ik het gelukkig wat warmer. ‘Zullen we nog een rondje doen?’ Ja, we gaan nog een rondje.

Dat het schaatsen ons Nederlanders geen windeieren heeft gelegd, bewijst de 80-jarige oorlog. Al schaatsend wisten we uit de handen van de Spanjaarden te blijven. ‘Gevleugelde voeten’ noemden onze tegenstanders het. Een juiste benaming als je het mij vraagt. Want als je een goede slag te pakken hebt, dan het is het inderdaad net alsof je vleugels krijgt. Een heerlijk gevoel.