Wie is hij toch? Die zonderlinge man. Ooit dacht ik dat hij kunstenaar was. Zijn carnavalesk avantgardistische houding vertelde dat hij ver verheven was boven het burgerlijke aardse bestaan. Het is zo’n tien jaar geleden dat ik hem voor het eerst zag. Onze ogen ontmoetten elkaar op straat. Zijn oogopslag intrigeerde me enorm: die was namelijk ondoordringbaar… waar zou hij zitten met zijn gedachten?

Bij het passeren van deze man leek alles wat mij bezig hield ineens futiel. Mijn ideeën verbleekten in het bijzijn van hem, want zoveel diepgang daar kon ik niet tegenop.

Inmiddels – een aantal jaren later – denk ik daar anders over. Aan zijn peinzende staar is weinig veranderd, de uitdrukking op z’n gezicht is precies hetzelfde gebleven. Alleen zijn persoonlijke verzorging is flink achteruit gegaan. De haren op zijn hoofd zijn bijna wit.

Deze zonderlinge man hoort bij het Groningse behang. Hij is een publiek figuur en tevens graadmeter van de tand des tijds. Hoe lang houdt hij het nog vol? Een schimmige sociale satire, dat is het.